|
Tekst en afbeeldingen: Archief Eemland
Klik hier voor meer informatie
Om in Amersfoort een kunstmatige sociale en godsdienstige rust
te bewerkstelligen, waren in de roerige periode van de reformatie zowel
de overheid als de geestelijkheid, en dan met name de kanunniken van het
Sint Joriskapittel, betrokken bij de intensivering van sociale zorg en
liefdadigheid.
| |
|
| |
|
| |
Interieur regentenkamer van het Burgerweeshuis. Datering:
ca 1925-35. Oorspronkelijk bijschrift: "De regentenkamer van
het voormalig Burgerweeshuis, dat tot de oudste gebouwen van Amersfoort
behoort, heeft een grondige restauratie ondergaan. Dat daarmede de
artistieke waarde niet verminderd is, brengen bijgaande foto's in
beeld. (...,) hieronder een kijkje in het inwendige van het gebouw." |
| |
|
De oprichting, rond kerstmis 1550, van een 'Arme Weeskijnderenhuijs'
door enkele Amersfoortse burgers kon daarom rekenen op sympathie van de
magistraat want het maakte de verwezelijking mogelijk van enkele van haar
doelstellingen, zoals het inperken van de alsmaar toenemende bedelarij
en het tegengaan van de exploitatie van weeskinderen die jaarlijks bij
het minst vragende publiek werden uitbesteed. Op 9 maart 1551 verleende
het stadsbestuur goedkeuring aan dit initiatief.
Bij de oprichting werd een beroep gedaan op de beschermheilige van de
kinderen: 'D: Nicolao Confessori et Episcopo Orphanorum Amorsfortiorum
patrono et tutulari' maar de naam Sint Nicolaasweeshuis wordt in de archivalia
zelden aangetroffen. Daar is meestal sprake van 'weeshuis' en 'borgerweeshuis'.
Uit deze laatste benaming blijkt al dat het weeshuis vooral bestemd was
voor burgerwezen.
 |
|
| |
|
| Ingang van de jeugdherberg aan de Zuidsingel, in het
voormalige Burgerweeshuis. Achter deze achttiende-eeuwse poort gaat
een poortje schuil dat zich ooit in de noordelijke zijmuur van de
kapel van het klooster Mariënhof bevond. Deze kapel is eind negentiende
eeuw afgebroken; in 1914 werd er een gereformeerde kerk voor in de
plaats gebouwd.Datering: 1935 |
|
| |
|
De eerste wezen kregen onderdak in het voormalige Begijnhof,
dat lag op de hoek van de Sint Aagtensingel (later 't Zand) en de Sint
Agathastraat en dat door het Sint Aagtenconvent op 31 december 1551 aan
de stichters werd verkocht. Een snel groeiend aantal opgenomen weeskinderen
maakte een ruimer onderkomen noodzakelijk en met toestemming van de Staten
van Utrecht bestemde het stadsbestuur in 1611 het klooster Mariënhof
aan de Zuidsingel tot nieuwe huisvesting. Een dergelijke nieuwe, wereldlijke
bestemming voor dit klooster was mogelijk geworden, omdat in de jaren
1579 en 1580 alle kerkelijke goederen en vermogens onder toezicht van
de Staten van het gewest Utrecht waren gekomen, terwijl deze goederen
werden beheerd door de stadsmagistraat, die de inkomsten in beginsel voor
vrome doeleinden ('ad pius usus') besteedde.
Hoewel in maart 1579 door de calvinistische stedelijke overheid was bepaald
dat de sociale instellingen in hun liefdadigheid geen onderscheid mochten
maken tussen de aanhangers van beide religies, was in 1580 de openbare
katholieke godsdienstoefening al niet meer geoorloofd. Ook voor het weeshuis
bleven de gevolgen van de Alteratie in Amersfoort niet uit. Zo besloot
het stadsbestuur in 1583 dat de kinderen alleen de gereformeerde eredienst
mochten bijwonen, maar het bestuur van het weeshuis wenste dit besluit
niet uit te voeren. Drie jaar lang werd deze weigering door het stadsbestuur
gedoogd. Door in 1586 gereformeerde regenten aan de stellen, slaagde het
stadsbestuur er alsnog in de protestantisering van het weeshuis door te
voeren.
| |
 |
| |
|
| |
Interieur kloostergang Mariënhof, vóór
de restauratie. Hier was destijds het Burgerweeshuis gevestigd. Datering:
ca 1919. In 1611 werd Mariënhof ingericht tot Burgerweeshuis,
in 1932 tot jeugdherberg. Na een ingrijpende restauratie diende het
van 1949 tot 1988 als zetel van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig
Bodemonderzoek. |
| |
|
In de tweede helft van de 17e eeuw verkeerde het weeshuis
in grote financiële problemen. Het rampjaar 1672 was hier met name
debet aan: oogsten gingen verloren en pachtgelden konden niet worden geïnd,
zodat er geldgebrek ontstond. Vanaf dat moment verleende het stadsbestuur
regelmatig financiële bijstand. Bij resolutie van 28 november 1746
besloot het stadsbestuur de vorderingen van het weeshuis op inkomsten
uit de conventen over te nemen en in ruil daarvoor het weeshuis een jaarlijkse
subsidie te verschaffen.
De Bataafse tijd bracht ook voor het weeshuis de nodige veranderingen.
Het onderscheid tussen burger en niet-burger alsmede dat tussen de verschillende
religieuze gezindten kwam te vervallen. Daardoor werd opname in het (burger)weeshuis
mogelijk van categorieën weeskinderen die voorheen waren opgevangen
in het Stadskinderhuis van de Armen Noodhulp. Het duurde echter tot 1803
voordat de eerste rooms-katholieke wezen ook daadwerkelijk in het Burgerweeshuis
zouden worden opgenomen, waarmee het bestaansrecht voor het in 1717 opgerichte
Stadskinderhuis in feite was komen te vervallen. Omdat dit kinderhuis
bovendien in ernstige financiële moeilijkheden verkeerde werd vanaf
1801 door diverse commissies uit de gemeenteraad een samengaan van beide
weeshuizen onderzocht. Hun conclusie was dat het Burgerweeshuis aan alle
weeskinderen plaats zou kunnen bieden. Op basis van deze conclusie besloot
het gemeentebestuur in januari 1804 tot een fusie van het Burgerweeshuis
en het Stadskinderhuis tot een instelling die opnieuw de naam Burgerweeshuis
zou krijgen. Deze fusie werd in mei 1804 geëffectueerd.
Meer informatie over de historie van het Burgerweeshuis is terug te vinden
in het Archief Eemland
|